Évaluation du champ de forage – puissance PAC

(désolé, la version française de cette page n’est pas encore disponible)

Warmtepompen zijn niet noodzakelijk individueel verantwoordelijk voor de warmteproductie in een gebouw, het is dus ook niet nodig dat alle te leveren energie aan de bodem onttrokken wordt.

Het vermogen van een warmtepomp zal in dat geval niet gelijkgesteld worden aan het vermogen dat nodig is voor ruimteverwarming en de bereiding van sanitair warm water.

De verhouding tussen beide vermogens noemt men de bèta-factor (β). Een bèta-factor van 0,5 betekent dus dat het condensorvermogen van de warmtepomp 50 % bedraagt van het benodigde thermische vermogen. De ontwerper bepaalt deze factor in functie van het gekozen back-upsysteem, de grootte van het project en de maximale investering.

Afhankelijk van de installatie onderscheiden we de volgende drie bedrijfsmodi:

  • monovalente bedrijfsmodus: in een monovalente bedrijfsmodus is de warmtepomp de enige warmteopwekker. Er is dus geen extra verwarming (bijstook) voorzien. Monovalente systemen vinden we voornamelijk terug in één- en meergezinswoningen. Voor grotere vermogens kan er geopteerd worden om het warmtepompvermogen te verdelen over twee compressoren. Eén compressor kan dan gedurende een groot deel van het jaar functioneren op een aantrekkelijk hoog rendement. Bij monovalente systemen zal in de praktijk altijd (enige) overdimensionering plaatsvinden. De warmtepomp heeft dan dus een hoger vermogen dan het werkelijk optredend vermogen en zal dus vaker schakelen. Om dit hogere vermogen tijdens de “aan-tijd” van de warmtepomp te kunnen leveren, dient ook het bodemsysteem groter gedimensioneerd te worden.  Een bèta-factor (β) = 1.5 leidt  tot 10% extra lengte bodemwarmtewisselaar, bij bèta-factor (β) = 2.0 tot 20%. Omdat de warmtepomp en de bodemwarmtewisselaars per extra kW een hogere investering vragen, dient het geïnstalleerd vermogen van de warmtepomp zorgvuldig te worden gekozen.

 

  • mono-energetische bedrijfsmodus: bij een mono-energetische installatie wordt een tweede warmtebron toegevoegd, gebaseerd op dezelfde soort energie. Bijvoorbeeld een elektrische warmtepomp die ondersteund wordt door een elektrische bijstook in een buffervat. In grotere gebouwen geniet dit systeem de voorkeur boven een monovalent systeem omdat er een warmtepomp met een aanzienlijk kleiner vermogen vereist is, waardoor de investeringskosten dalen, terwijl het energetische rendement nauwelijks beïnvloed wordt. De bijstook moet zelden in werking treden, terwijl de warmtepomp langduriger op vollast kan functioneren, wat energetisch gezien efficiënter is. Bovendien kan bij een defect of het onderhoud van de warmtepomp toch een aanzienlijk deel van de warmte geproduceerd worden door de bijstook.

 

  • bivalente bedrijfsmodus: voor grote vermogens wordt er vaak geopteerd voor een bivalente bedrijfsmodus. Naast de warmtepomp is er dan nog minstens één andere warmtebron op basis van vaste, vloeibare of gasvormige brandstoffen. Deze extra energie-opwekker kan zowel alternatief werkend als parallel ingeschakeld worden.